U bevindt zich hier: Berichten  

HERINNERINGEN AAN DE BEVRIJDING
 



 

Dit jaar is het 75 jaar geleden dat Nederland zijn vrijheid terugkreeg. Een lange tijd geleden, maar veel van onze oudere gemeenteleden hebben daaraan herinneringen, die ze ook met ons wilden delen. Stuk voor stuk mooie, persoonlijke verhalen die soms te lang waren om in Opgang te publiceren. Daarom hier alle complete verhalen.


"en toen was er licht"

De oorlog was net afgelopen.
De kerkklokken begonnen overal te luidenen dat hadden wij 5 jaar niet gehoord.
En toen kregen wij weer light.
Licht is nu voor iedereen vanzelfsprekend maar voor ons toen niet. Vanaf september 1939 tot mei 1945 gingen de lichten buiten uit en het was pik en pikdonker.Alle gordijnen waren met zwarte stof bekleed en als er een glimp van licht naar buiten kwam, kreeg je een fikse boete.
En toen gingen de straatlantarens aan. Mensen renden naar buiten en riepen "Licht licht!"De één huilde, een andere begonnen te zingen  terwijl een derde gaf iedereen een hand en zei steeds "we've done it! we've done it!"
Europa was bevrijd.... nu de Jappen nog.       
Dorothy Hissink
Dorothy zat in Londen tijdens de oorlog


Een lange reis

Tijdens aan het einde van de oorlog zaten mijn broer en zus in Parrega (Friesland) en mijn moeder en ik zaten in Longerhouw (ook Friesland).
Het was daar erg rustig en in dat dorp zaten ook duitsers waar we geen last van hadden.
Op een gegeven moment gingen ze aan het eind van de oorlog en kwamen er Canadezen in het dorp, zijn ze onze bevrijders geweest.
Aan het eind van de oorlog zijn moeder en ik vertrokken naar amsterdam onze woonplaats.
Het ging wel erg moeizaam daar te komen, eerst naar Wommels fietsend (oorzaak lekke band), daar met de boot eerst naar Enkhuizen naar Hoorn waar we 2 dagen bleven en toen naar Amsterdam.
Zo zijn we behouden thuis gekomen.
Verder kan ik me van de oorlog weinig herinneren, jammer.
Roel Boerema


Utrecht. Hongerwinter, december 1944

Berekoud, Singels bevroren, veel sneeuw en onbegaanbare wegen. Duitse bezetting en oorlog met alle ellende daar om heen.
Mijn ouders hadden een kapperszaak/winkel onder de rook van het Academisch Ziekenhuis (AZU).
Wij waren met 4 kinderen. De omstandigheden waren hartontroerend.
Door stakingen alom was er geen openbaar vervoer, geen post en beperkte elektriciteit. Alles op de bon, slechte aanvoer en brandstof en lege winkels.
Scholen en universiteiten gesloten; kortom, doffe ellende. Wij aten van de gaarkeuken.
Keesje (mijn broertje die een jaar jonger was) en ik gingen dagelijks de pan soep halen, want mama moest voor de baby zorgen (3 maanden) en papa kon worden opgepakt.
De kerken verzorgden kindertransporten naar Noord Nederlandse provincies waar ze tijdelijk konden worden ondergebracht. ’s Nachts was het vervoer i.v.m. mogelijke beschietingen door de geallieerden. Mijn broertje en ik, 13 en 14 jaar, zijn ook meegegaan en zijn per auto met generator om 4 uur ’s nachts naar Smilde (Drente) gebracht: 4 januari.
Het was al licht toen we aankwamen, koud en angstig, maar…..we werden ontvangen in een warme boerderij en op de weg lagen zomaar aardappels: AARDAPPELS! En we kregen pap, wat een luilekkerland.
Van daaruit werden we naar de tijdelijke adressen gebracht. Ik bleef in de boerderij, mijn broertje was elders. Een echtpaar zonder kinderen waren de tijdelijke ouders. Schatten van mensen.
Mijn pleeggezin was groter nl 14 personen. Gezin: 7 personen, 2 broers van boerin, 3 onderduikers en 2 meisjes van vriendinnen in Utrecht. De meisjes sliepen in de bedstee en de mannen in de schuur. Het gezin in de slaapkamers. We kwamen in een andere wereld terecht.
Er is keihard gewerkt en geleerd. Fantastisch dat we zo zijn opgevangen, maar ook dat we die kant van het leven hebben gezien en ervaren.
Zondags was een saaie dag. Om 10 uur naar de kerk tot 12 uur. Naar huis en koffiedrinken in de mooie kamer, warm eten in de woonkeuken en daarna luieren (wandelen meestal naar het land) niet werken!
Thee drinken in de woonkeuken en de vrouwen om 5 uur weer naar de kerk en de mannen koeien melken. Daarna brood eten en dat was het.
Wij zijn bevrijd 13 april. Enkele dagen daarvoor waren we al ver op het land in een grote schuur ondergebracht. De mannen bleven op de boerderij om voor het vee te zorgen. Voor de vrouwen en kinderen was het te gevaarlijk maar er is niet veel gevochten.
Toen we terug kwamen lagen er wel enkele dode soldaten.
Maar ik heb gehuild toen ik voor het eerst weer het Wilhelmus kon horen en meezingen.
Wat ik vreselijk vond was dat er zo’n vijandschap was tussen de Hervormden en Gereformeerden. Een hervormde kocht nooit bij gereformeerde of omgekeerd. Kilometers werden er liever omgelopen dan te bezoeken en niet alleen dit voorbeeld. Je deed niets voor elkaar. Daarom heb ik mijn broertje ook zo weinig gezien. Zij waren gereformeerd.

Maar nu nog een epiloog.
Ik heb mijn 15 e verjaardag nog in Smilde gevierd, 31 mei.
Wij zijn 6 juni weer naar huis gebracht. Naar mijn ouders en school, wat was ik blij, heb zo’n heimwee gehad. En mijn kleine broertje inmiddels bijna een jaar oud.
Keesje is begin januari 1946 overleden; slachtoffer van de hongerwinter. Wat hield ik van hem.
Ineke Wiggers


Ik was niet zo bang ...

Ik herinner me zondagmiddag 17 september 1944 dat al die vliegtuigen over kwamen voor een grote grondaanval in Brabant. Ik zat op zolder huiswerk te maken (ik zat toen in de vierde klas van de MULO). Wat een herrie! We gingen midden op straat staan kijken met mijn ouders en vijf jaar jongere broertje.
Ook hebben we weleens vlakbij een bom gehad. Wij woonden in het westen van Schiedam, niet ver van de Werf Wilton-Feyenoord. Op de werf ging zowat de hele dag door het luchtalarm af, en wat later kwam dan het stadsalarm op gang. Ik was niet zo bang, mijn moeder was veel banger.
Truus Werkman


Stiekum luisteren ...

Ik woonde in Lopik aan de Lek. Toen de oorlog begon, was ik 7 jaar. Ik zie nog voor me hoe er nu en dan een overvalwagen naar de boeren bij ons in de buurt toe ging en dan gingen ze schieten.
Mijn vader had lijkkisten in voorraad omdat in onze buurt veel mensen verdronken, die wilden overzwemmen en dat lukte niet altijd. Mijn vader was aannemer, hij maakte de kisten zelf.
Drenkelingen en andere overleden mensen kisten deed hij ook zelf. We hadden daar ook kleding voor, daar gingen mijn zusje en ik weleens in neuzen. Er zat ook een radio verborgen in die kistenvoorraad, daar luisterden wij stiekem naar om de berichten te volgen.
We hadden een schuit en daar ging al het gereedschap in. We werden goed gecontroleerd door de Duitsers. Soms hadden we ook wel onderduikers. Mijn zus had een betrekking bij de bankdirecteur en die hadden een Joods gezin verborgen. Ze heeft het nooit gemerkt.
De Duitsers gingen achter de boeren aan. Sommige NSB-ers verraadden boerenjongens, en als kind hadden we aversie tegen sommige van die NSB-ers.
In de oorlogsjaren verzoolde mijn vader de klompen van de boeren, want de bouw lag stil. In ruil daarvoor kreeg hij kaas en boter. Mijn moeder karnde zelf. Ik had vaak bloedarmoede en kreeg daarom elke dag een ei, en melk maar die kreeg ik niet door m’n keel omdat er van die vieze velletjes in zaten.
Mijn moeder ging ‘aren lezen’ net als Ruth: graan zoeken. Ik hielp weleens, dan kreeg ik zo een schoof koren toegestoken. De buren dorsten het graan en mijn vader had zelf een molen gebouwd om het koren te malen.
Mijn oma van in de tachtig had ook Duitsers in huis. Ze dronken veel. Ze zeiden ‘Heil Hitler’ en mijn tante zei dan ‘Leve de Koningin’. Ik had angst voor de Duitsers.
Toen Lopik bevrijd werd, waren onze vader en moeder opeens midden in de nacht weg, ze reden mee door de buurt om feest te vieren. Later gingen mijn zus en ik er natuurlijk ook op uit. Ik herinner me dat we bij ons ds. Pijlman hadden, hij kwam uit Amsterdam en was een vooraanstaand man. Bij de bevrijding stond hij voorop een vrachtwagen en zwaaide met de vlag. Wat een feest!
Letty Neomagus


1944: 2e bombardement op Rotterdam

Ik was 6 jaar, maar herinner me het nog heel goed: de spanning in huis toen mijn vader eerst niet thuis kwam uit kantoor. Het gebeurde ook nog in de weken dat ik een zusje verloor: zij had als baby een infectie opgelopen in het ziekenhuis en werd maar 4 weken oud. Hoe mijn moeder dit allemaal moest doorstaan, zeker toen mijn vader bij de grote razzia in Rotterdam ook opgepakt werd. Gelukkig wist hij na 4 dagen marcheren te ontsnappen.
Als mijn broer en ik hout hadden gesprokkeld voor de haard (hartje winter) kregen we als beloning een suikerklontje, we mochten niet zien waar moeder die verstopt had!
Van de bevrijding herinner ik me het ongeloof en de angst dat je een mof tegen zou komen: 'zij schoren immers meisjes'.
Vlakbij ons huis was een 'landje' waar de vliegtuigen voedsel dropten. De koeken (kaken) die ze dropten herinner ik me nog goed. Natuurlijk ook de bonnen waar we voedsel mee
konden betalen. Het Witbrood uit Zweden zie ik nog voor me, zeker als we daar een flintertje boter op mochten smeren.
Ook de straatfeesten herinner ik me nog goed. Opeens mocht je bij mensen in de straat naar binnenkomen om gezamenlijk een toneelstukje in te studeren. Dat werd dan op één van de vele straatfeesten opgevoerd.
Niet alle gezinnen konden daar aan meedoen: hun man/vader was niet teruggekomen uit Duitsland...
Een mooie herinnering is ook de Volkszang o.l.v. mevrouw Grimberg- Huizer. Vanaf 1945 tot nog vele jaren daarna werd op de Beurstrappen in het centrum van Rotterdam met honderden mensen het vaderlandse lied gezongen, meest uit ‘Kun je nog zingen, zing dan mee!’ Soms mochten we dan daarna in Cineac een film over de bevrijding gaan zien.
Het zullen dit jaar wel heel bijzondere dagen worden rond 4 en 5 Mei...
Bétha Wits-van Kooij


Verjaardag

Op 6 September 1944 mijn verjaardag. In de tuin en maar 1 vriendje erbij.
De dagen erna was mijn moeder steeds tassen aan het vullen en dat was raar. Op zondagmiddag werden aan haar fiets erg veel tassen gehangen. Mijn jonger zusje mocht achterop. Kom we gaan zei mijn vader. Ik wilde ook op de fiets zitten maar dat kon niet. Te vol. Lopen ruim 18 km. Het gekste was zo dat we soms ineens moesten schuilen in een greppel. Gevlucht naar een tante en oom in een heel klein dorp.
6 mei 1945. De fiets kwam onder het stro vandaan en de vele tassen werden weer opgehangen.
Weer op pad maar nu naar huis. Ik begreep het nauwelijks dat we niet meer bang hoefden te zijn.
Onderweg dwars over de weg een tank. Hoog en bedreigend voor mij maar er werd gelachen en er werden handen geschud. Ik werd opgetild en een soldaat lachte en gaf me iets. Een reep chocola.
Ik begreep dat ik blij moest zijn maar wist niet wat het was.
Thuis waren er vreemden in ons huis
Ze woonden daar en bleven nog tot in de zomer. Hun voornamen weet ik, maar waarom zij zomaar in ons huis mochten wonen is me tot vandaag een raadsel.
De papieren wikkel van de reep heeft nog 35 jaar achterin de linnenkast gelegen.
Anneke van Bentum


De Canadezen. Ze zijn er!

Het was in Ermelo een warme dag die 18de april. Mijn zusje en ik speelde buiten, naast de openslaande deuren. Ik was bijna zes en zij een jaar ouder.
Opeens rende oom Jan de tuin in. Zwaaiend en met moeite bracht hij er uit: de Canadezen. Ze zijn er.
Bij de muziektent. Mijn ouders gingen meteen op pad en trokken ons met zich mee richting de muziektent. In het gedrang raakte ik hen snel kwijt, maar mijn oudere zus nam me op sleeptouw. Opeens zag ze. De Canadezen. De tanks. Mijn zus werd op de tank gehesen. Ik bleef op veilige afstand staan. Bangig. Zij brandde haar billen. Toen we thuis kwamen zag ik Henny en Nol zwaaiend en schreeuwend onze kant opkomen.
Zij waren opeens bij mijn grootouders komen wonen, een eindje buiten het dorp. We speelden met hen als we er waren. Als we door de tuin liepen liep Nol gebukt, fladderend met zijn armen.
Waarom loop je zo gek, vroeg ik. Ze mogen mij niet zien, hijgde hij. Ik begreep daar toen niets van. Toch is dit fragment me altijd bijgebleven.
Met de bevrijding mochten ze weer gezien worden. Henny leeft nog. Samen met anderen heeft zij mijn grootouders postuum willen eren.
Vorige maand kreeg ik een brief van het YAD VASHEM centrum. Mijn grootouders werden benoemd als Rechtvaardigen en hun namen worden bijgeschreven. in de Muur van Eer.
Waarom is dit niet bij leven gebeurd? Mijn grootvader redeneerde vanuit zijn oprechte vroomheid: je geeft schuilplaats aan vervolgde kinderen van het oude volk en dat doe je om niet.
En wie is rechtvaardig?
Jan van Bentum


Weer terug naar ons huis

Ik was 8 jaar toen de oorlog begon. Mijn vader was militair en dus niet thuis. Mijn moeder had de zorg voor 4 jonge kinderen – mijn oudste zus was 10 – en ook nog een extra zusje.
In het weiland tegenover ons huis stond een afweergeschut. Toen de oorlog uitgebroken was, werd het daar te gevaarlijk en moesten wij een paar dagen weg uit ons huis, naar een vriendin van mijn moeder die in het dorp woonde. Mijn vader was met de mobilisatie in 1939 opgeroepen (hij was Rode Kruis soldaat) en we wisten niet hoe het met hem ging. Telefoon had je in die tijd niet. Mijn moeder is toen op de fiets naar hem op
zoek gegaan, ze wist dat hij ergens achter de Grebbenberg moest zijn, en ze vond hem! Gelukkig ging het goed met hem, hij had gelukkig niet mee hoeven doen aan de strijd om de Grebbenberg. Toen
Nederland zich overgegeven had, kwam hij weer thuis.
Echt honger hadden wij niet, al was het eten sober. Veel aardappelen, soms een flesje melk, en we kregen eten uit de gaarkeuken wat soms aangebrand was, dat rook je dan al als je in de buurt kwam.
Later heeft mijn vader zijn trouwpak geruild voor wat meel. Mijn moeder maakte ook stroop van suikerbieten. Je was blij dat je te eten had!
We woonden aan een buitenweg in Meerkerk. Met de inundatie in 1944 kwam ons huis en dat van onze grootouders naast ons onder water te staan, wij trokken in een klein huisje in het dorp. Het ging. Er hebben ook nog Duitsers in ons huis gezeten en dingen vernield. Zonder toestemming zijn we een jaartje later, dat was het laatste oorlogsjaar, weer terug gegaan naar ons huis. Wat was dat fijn!
De bevrijding was geweldig. Mijn broertje was op 5 mei jarig, dat jaar werd hij 12 en hij was nogal ondernemend. Op 5 mei kwam hij binnenstormen en riep: ‘we zijn bevrijd hoor!’ Mijn vader pakte gelijk zijn oude fiets uit de schuur en fietste naar het dorp. Iedereen legde alles neer waar hij mee bezig was en ging kijken naar de tanks die binnenkwamen. Een hele belevenis!
Liesbeth Hubert


Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog

Het gezin waarvan ik deel uitmaakte bestond uit vader, moeder, drie zoons en één dochter. Mijn vader was rechercheur bij de zeden- en kinderpolitie te Rotterdam. In mei toen de oorlog uitbrak was mijn vader met ziekteverlof thuis, bleek darmkanker te hebben en hij overleed in november 1940. Toen begon de chaos in ons gezin. Mijn moeder raakte totaal overspannen van de hele situatie en werd opgenomen in een inrichting. Opa van vaders’ kant –die bij ons woonde sinds oma was overleden- moest naar een `oudemannenhuis`zo heette dat in die tijd. Dat vond mijn moeder al verschrikkelijk, en wij kinderen, werden verdeeld over familie en vrienden. De twee oudste jongens, 16 en 15 jaar werden ondergebracht bij een familie, de jongste van 12 jaar ging naar het hoofd van de ULO waar hij op zat en ik was 6 jaar en ging naar Sleeuwijk naar mijn oma. Daar heb ik dus het eerste jaar van mijn lagere school doorgebracht. Na verloop van tijd knapte mijn moeder op en kon mij dan opzoeken bij oma, haar moeder. Toen zij weer in staat was om voor ons te zorgen, werd het gezin weer herenigd, maar zij leunde heel erg op mijn oudste broer. Daar heeft hij z’n leven lang last van gehad en daardoor verkeerde keuzes gemaakt.
In de eerste oorlogsjaren ging het allemaal nog wel met de voedselvoorziening, maar dat werd steeds slechter. Ook de voorschriften van ramen verduisteren, bonkaarten –alles was slechts op bonkaarten te koop en dan nog met mate- na zeven uur ’s avonds niet meer buiten, dat heette ‘sperrtijd’, bijna geen brandstof om de kachel te stoken, geen gas en elektrisch, of alleen op bepaalde uren. Mijn oudste broer slaagde voor de HBS, maar er was geen feestje, integendeel. Nu zou hij naar Duitsland moeten om te werken, hij moest zich melden. Dat deed hij niet en dook onder. Wij wisten niet waar en dat was goed voor het geval die ‘mof’ ons wilde chanteren. Er werd huiszoeking gedaan, niets gevonden. Kregen een waarschuwing, de volgende keer moest hij wel thuis zijn. Moeder in de zenuwen.
Mijn tweede broer slaagde voor de Kweekschool. Geen feest, hij werd opgeroepen voor de Arbeidsdienst, ging niet en dook ook onder. In hetzelfde dorp waar ook mijn oudste broer zat. Dat bleek later Klundert te zijn in West Brabant. Toen was mijn moeder dus aangewezen op mijn jongste broer en mij. Dan wordt er ’s nachts met veel getier gebeld en geroepen: Auf machen, schnell! Dan sloft mijn moeder in haar nachtpon naar de deur en komen er SS-ers binnen, doorzoeken met veel lawaai en grof geweld het hele huis naar de twee jongens die niet kwamen opdagen. Toen dreigden zij mijn jongste broer mee te nemen, hij was nogal groot maar toch te jong om te arresteren. Dat bleek uit zijn ’auschweisz`waar wij allen mee opgezadeld waren. Dan begonnen ze te dreigen dat als zij binnen enkele dagen weer kwamen en de jongens waren er niet, zij ons alle drie zouden meenemen. Dat riskeerden we niet en de volgende dag vertrokken wij met z’n drieën naar Sleeuwijk en Werkendam, waar familie van mijn ouders woonde.

Daar verbleven we dan bij ooms en tantes voor enkele weken en ik ging daar naar school met nichtjes en/of neefjes. Ik heb op school gezeten in de Biesbosch, in Werkendam en in Sleeuwijk. In Rotterdam zat ik op een openbare meisjesschool en daar in Brabant kwam ik op redelijk orthodoxe scholen terecht en moest ik ’s maandags een psalmvers uit mijn hoofd kennen. Ook dat is helemaal goed gekomen en ik heb er nu nog profijt van. Op een gegeven moment gingen we weer naar Rotterdam. Ons huis was niet gebombardeerd en de bevrijding was in Zuid Nederland aan de gang, dus mijn broers dachten naar huis te gaan, want dan zou de rest van Nederland spoedig volgen. Zij verschenen één voor één weer thuis, dan konden ze meevaren het Hollands Diep over met een vrachtboot, heel gevaarlijk want de moffen schoten overal op, bang als ze waren. Voor het verdere vervoer waren ze afhankelijk van auto’s die ze mee wilden nemen. Enerzijds waren wij blij met hun thuiskomst, anderzijds was de oorlog in Rotterdam nog in volle gang en stond de hongerwinter voor de deur. De bonkaarten die wij kregen waren lang niet voldoende voor drie grote knullen, maar zij hadden zich meteen aangesloten bij de ondergrondse. Daar beleefden we weer andere toestanden mee. Bijvoorbeeld het overvallen van kantoren waar bonkaarten werden verstrekt, dan hadden we meer bonkaarten, dus meer eten, maar o wee als ze betrapt werden, dan kreeg je meteen de kogel. Dat was voor de gemoedsrust van mijn moeder niet best, dus verzonnen ze wat anders. Ze gingen op de fietsen die we niet ingeleverd hadden, soms met houten banden, de boer op in de buurt van Rotterdam en kwamen dan vaak thuis met etenswaren. Die hadden ze dan geruild tegen lappen stof (die mijn moeder altijd in huis had) of een sieraad e.d. Omdat er geen elektrisch was en de kaarsen ongeveer op waren, hadden we een fiets in de woonkamer en dan aan de dynamo een lampje. Om de beurt gingen we dan heel hard fietsen en hadden de anderen de gelegenheid iets te lezen, bijv. pamfletten die werden gebracht door de ondergrondse. Soms hadden we een potje met smerige olie en daarop een lontje, gaf ook een beetje licht. Om de kachel brandend te houden moesten we ergens hout vandaan halen. Houten hekjes rondom ons huis waren al opgestookt. In een plantsoen vlakbij ons huis stonden bomen, dus midden in de nacht ging het tweetal op stap met enkele vrienden met zagen e.d. en een zelf geknutseld karretje voor het vervoer en hadden zij een boom omgezaagd en mee naar huis genomen. Naast ons huis was een poort en daar werd de boom ingesmokkeld, want niemand mocht dat zien. Er waren altijd mensen in de buurt die je misschien zouden verraden. Die boom werd in stukken gezaagd, maar het hout was nat en siste in het fornuis. De volgende morgen ging mijn moeder brood halen aan de overkant bij de bakkerszaak en daar werd schande gesproken over alweer een boom omgezaagd in het plantsoen. Wie had dat nu weer gedaan. Mijn moeder zei niets.
De razzia’s namen toe en mijn broers konden niet meer terug naar hun onderduikadres. Om uit handen van de moffen te blijven had mijn oudste broer een gat in de tuin gegraven als een soort graf en dat grotendeels afgedekt met planken en daarover zeil (oude vloerbedekking).

Een vierkant luik legde mijn moeder over het gat waar hij door naar binnen kroop. Daarop gooide ze een paar emmers uitgegraven aarde. Af en toe ging ze informeren of hij nog leefde. Ze kon daar niet blijven staan, want als de moffen dat zagen was het foute boel natuurlijk.De andere twee jongens kropen door een gat in de woonkamer in de kruipkelder, maar dat gat zat aanvankelijk midden in de kamer onder de matten en het vloerkleed. Daarop stond de eettafel en als de razzia op handen was moest mijn moeder de oudste begraven in de tuin en ik moest –als de twee andere jongens in de kelder zaten- de matten en vloerkleed erover trekken en dan de eettafel erop zetten. Dat gaf problemen, want die tafel kon ik in m’n eentje (ik was 9) niet mannen, dat werd sjorren en dan konden de moffen zien aan de plooien die ontstonden dat daar was geschoven. Als ze dat zagen schoten ze dwars door de vloer. De angsten die ik toen uitstond voel ik nog als ik dit zit uit te typen. Blij was ik als m’n moeder weer binnen kwam om mij te helpen de boel glad te strijken. En dan het gevloek en getier als ze de jongens niet konden vinden. Het gat in de vloer werd meteen op een beter toegankelijke plek gemaakt. De Duitsers waren heel bang om ziektes op te lopen. Om de jongens ieder apart te kunnen verbergen, hadden ze verzonnen om een slaapkamertje boven te voorzien van aanplakbiljetten, rode strepen, gevarendriehoeken, jodiumstrepen, lysollucht. Daar lag iemand met difterie of tbc, in die tijd nogal aanwezig. Dus één in de tuin, één onderin de kelder en één had een besmettelijke ziekte. Die kamer sloegen ze over. Als er dan toch eentje werd ontdekt, waren niet alle drie de jongens de pineut.
Toen kwam de hongerwinter. Het werd steeds moeilijker om aan voedsel te komen. Er werd besloten dat de twee grootste eters weg moesten en die lieten dan hun bon- kaarten achter voor de thuisblijvers. De oudste en de jongste was de beste combinatie om te gaan lopen richting het oosten om daar te zoeken naar eten in ruil voor werken op het land of zo. Mijn moeder vond dat natuurlijk niks, weer twee kinderen weg en niet weten waar ze blijven. Die heeft wat angsten gekend in die tijd. Begin januari 1945 stopten ze een kussensloop vol met wat schoon ondergoed en een paar schoenen. Aan de hoeken werd een gordijnring genaaid en het tafelzeiltje van de keukentafel werd doormidden geknipt. In iedere sloop de helft tegen het inregenen. Zij hadden enkele aanbevelingsbrieven meegekregen en adressen vanuit onze wijkgemeente waar zij waarschijnlijk konden overnachten. Mijn moeder weer in tranen en met mijn tweede broer probeerden wij de zeer strenge winter door te komen. Met een wat ouder vriendinnetje die nog een fiets had, reed ik op de bagagedrager mee naar de Tweede Barendrechtseweg en daar gingen we langs de spoorlijn kolen zoeken. Daar kwamen geregeld treinen voorbij met kolen richting Duitsland en daar viel wel eens wat af. Na uren daar zoeken, zonder eten en drinken maar met veel angsten als de V1’s* overkwamen, kwam mijn broer mij weer ophalen en werd ik door hem de hemel ingeprezen omdat ik wel voor een hele avond warmte had gezorgd door een beetje kolen te zoeken.

*V1’s waren een soort lange sigaren die ergens werden afgeschoten en richting Engeland gingen om daar dood en verderf te zaaien. Maar soms kwam er ook eentje in Nederland terecht.

Ik laat het hier even bij, maar ik heb nog heel veel meer verhalen uit die tijd.
Marry Jekel-Bax






Bevrijding en vrijheid

Op 10 april 1995 stond ik in Bakkeveen (Fr.) bij het monument waarop de namen van 10 gefusilleerde mannen staan; 50 jaar daarvoor waren ze in het zicht van de bevrijding doodgeschoten. Eén van hen was Mr. M. Ritzema, sinds 1939 burgemeester van Oldekerk (Gr.), mijn geboorteplaats en opvolger van mijn opa. Hij was 35 jaar oud en wilde tijdens de bezetting niet onder de Duitsers burgemeester blijven. Een nacht te lang in Leens bij familie werd hem (en zijn broer) fataal; hij werd gevangen genomen en opgesloten in het beruchte Scholtenhuis in de stad Groningen; hier huisde de SD. Zijn vrouw bleef achter met 3 jonge kinderen, van wie een later mijn vriend werd. Bij dat tiental dat in een vrachtauto afgevoerd werd om gedood te worden bevond zich een man die kans zag zich onderweg uit de boeien te bevrijden en bij een korte draai over een brug bij het dorpje Enumatil – hij was daar goed bekend – achter uit de vrachtauto sprong en in het donker verdween. De zoektocht naar hem leverde niets op en hij overleefde. Later bezocht hij vanuit Canada mijn ouders op de boerderij en ik heb hem aangestaard alsof er sprake was van een opstanding en dat was het eigenlijk ook. Die minimale afstand bij hem tussen dood en leven heeft mij erg gefascineerd. De bevrijding van de boeien om zijn naar verhouding kleine handen leverde voor hem de vrijheid op, terwijl anderen het leven lieten. Hoe kwetsbaar is vrijheid en in dit geval hoe afhankelijk van kleine handen.
Bert Tolsma


Niet naar school

Els Brouwer schrijft regelmatig ‘brieven aan mijn kleinkinderen’. Ze heeft deze brief geselecteerd. Een brief die de tijd van toen koppelt aan de huidige tijd.

Lieve I.A.S.N. en L.,
Over een paar weken is het 10 Mei. Dat is de datum, waarop, precies 80 jaar geleden, de Tweede Wereldoorlog (WO-2) begon. Althans in Nederland. En het duurde 5 jaar...

Het is nu ‘corona-tijd’ en jullie kunnen niet naar school. Je krijgt thuis les met computer-programma’s. In het begin was het leuk, toch? Maar nu wordt het een beetje saai. Het doet me denken aan het laatste oorlogsjaar. Naar school was er voor ons toen ook niet meer bij! Van september/oktober 1944 tot halverwege Mei ’45 waren de scholen gesloten: een hele winter. Lang, hoor! Waarom? Sommige scholen werden gevorderd (in beslag genomen) voor de Duitse soldaten. Die werden daar ingekwartierd, hadden er als het ware hun kamp opgeslagen, woonden er. Een andere reden was dat het winter werd. Koud! Het waren nog echte winters met veel sneeuw, vorst en snijdende wind. Centrale verwarming was er niet en kolen voor de kachels kregen de scholen niet meer. Zo aan het eind van de oorlog eisten de Duitsers bijna alles op.

Hoe ging dat toen zonder computer of mobiele telefoon? Vaste telefoon had ook lang niet iedereen.. De mensen waren ook in die tijd best creatief. Ik (10 jaar) ging b.v. twee keer per week een paar uur ‘naar school’! Een keer bij mijn meester (4-e klas) thuis. Dat was ’s maandagsmiddags. Ik weet het nog precies. We zaten in een kleine kamer op krukjes rond een klein oliekacheltje met een schrift en potlood op schoot. Je moest maar zien hoe te schrijven op je knieën…. En netjes schrijven was toen nog heel belangrijk: schoon-schrijven heette dat. Je kreeg er een apart cijfer voor op je rapport. Ook voor netheid trouwens: of je er netjes uitzag, haren gekamd, schone nagels, schoenen gepoetst. Maar ook het schrijven: vlekken op het papier, gekrulde punten, onder of boven de regels geschreven. Dat soort dingen. Ik was er niet goed in. Zo zaten we daar dus met onze koude voeten bij de kachel. Vooral als het gesneeuwd had en vroor wilde je wel dicht bij het kacheltje zitten. Onze schoenen hadden dunne zolen. Van die dikke rubberen bestonden nog niet. Nieuwe schoenen waren bovendien moeilijk te krijgen, leer om te repareren was er ook haast niet. Dus had je nogal eens gaten in je zolen, waar dan het sneeuw-water doorheen drong. Maar dicht bij het kacheltje met je voeten mocht niet. Dat was te gevaarlijk. Eèn stoot van een schoen en het kon omvallen.. Brandende petroleum over de vloer, oei… Bovendien, als je ijskoude, natte voeten te snel opwarmden kreeg je ‘wintertenen’. Pijnlijke, dikke, rode tenen. Bijna iedereen had wintertenen. Later gingen we op houten klompen lopen, dat was veel warmer. Je rug bleef ook koud. Dus hielden we onze jassen aan. Ook niet handig met schrijven. De meester was een strenge, beetje kribbige man. Hij had altijd een stokje in zijn hand. Als je het niet goed deed, kreeg je een tik op je vingers. Vooral akelig als je ‘winterhanden’ had. Dat bestond ook!. Onze wollen wanten gaven niet voldoende warmte en werden gauw nat van de sneeuw. Je kon met die handen dan ook niet altijd even goed schrijven. Laag cijfer voor netheid was het gevolg. Aan het eind van de middag kregen we huiswerk mee voor de volgende dagen. Dat maakten we dan bij de warme kachel thuis in de huiskamer. De enige kamer die verwarmd werd.

Veel leuker was de andere les, later in de week, ook ‘s middags. Met een paar klassen tegelijk zaten we op lange banken rond de enorme oven van een bakkerij. Daar werd ’s morgens brood gebakken. De oven was nog warm. En dat niet alleen, de hele bakkerij was warm. Heerlijk was dat! Geen koude voeten en ruggen. Drie klassen met de meester van klas 6. Een leuke, vrolijke man, vol grapjes. Hij deed eerst een poosje ‘gym’ met ons. “Kom op”, zei hij dan, “eerst even flink zweten. Daar gaat je bloed van stromen en kunnen jullie straks veel sneller leren”… De ruimte was groot, dus het kon allemaal. En, echt, we kregen druppeltjes op ons voorhoofd en zaten later hijgend en lachend op de banken. Veel kinderen hadden aan het eind van de oorlog al niet meer genoeg te eten en waren mager en kouwelijk. Dus waren die sport en warmte best belangrijk. Ik was ook erg mager: ‘ alleen maar ellebogen en knieën’, zei mijn moeder. De bakker had ook een paar kannen thee achtergelaten. We kregen een bekertje en daarna gingen we tevreden aan het werk. Als je slaperig werd van de behagelijke warmte draaide de meester lachend je oor om: ‘wakker worden!!’ Zo’n bakkerij was best bijzonder. Je zag er de geheimen van het brood bakken. De geur van vers brood, die enorme, zwarte oven. De deur, wel bijna een meter in het vierkant, stond open. Je keek zo in dat grote, nog smeulende vuur. Wat voor lessen we kregen weet ik niet meer. Het was het aparte, spannende van die plek, die ik me herinner. Ik zou het zo nog kunnen tekenen. Heb ik daar misschien de liefde voor brood bakken van overgehouden??

Toen we na 5 Mei 1945, de bevrijding, weer ‘gewoon’ elke dag naar onze eigen school konden, waren we dolblij. Het was weer ‘echt’; wel koud nog in die onverwarmde lokalen. Maar dat kon ons weinig schelen: we holden juichend over het schoolplein en door de lokalen.
We waren vrij! Alles kon en mocht weer!!!
Dag allemaal, tot de volgende brief,

Oma Els (Brouwer)



Printerversie