U bevindt zich hier: Berichten  

OVER HET SCHILDEREN VAN EEN LIED
 

Lied 548-1 




1. Het heeft de Heilige behaagd

Lied 548 (tekst Maria de Groot) begint met een plechtige, wat archaïsche zin: Het heeft de Heilige behaagd… Er klinkt een besluit van hogerhand in. De hoge God, de Heilige – geprezen is zijn Naam - heeft zich verwaardigd om in mij, armzalige, zijn intrek te nemen. Hij bewoont mijn armoede. Hij is mijn schamele huis ingetrokken. De zanger is vervuld van een diepe verwondering dat Gods licht zich in zijn huis heeft gewaagd. Het intense licht, waar niemand in kan kijken zonder te worden verblind, wordt door de wanden getemperd, zodat het daar als een mild licht blijft branden.

‘Wat een moeilijk lied!’, was de eerste reactie van de groep die het zou gaan schilderen. Op zaterdag 3 maart stonden vijf mensen wat onbeholpen rond vier grote stukken wit karton op vier tafels in de consistorie. Op een zijtafel waren potten acrylverf neergezet en kwasten in soorten en maten. Vier coupletten, vier schilderijen, dat was het idee. Maar hoe schilder je zoiets? Waar begin je op die witte vlakken? We begonnen met luisteren naar de tekst, naar de muziek (op cd), naar elkaar. Waar blijft je aandacht hangen? Welke beelden komen op? Welke kleuren passen daarbij? Wat zou je willen proberen? Mooi hoeft niet, het gaat om de poging om samen iets dichter bij die tekst te komen.
Zo spraken we over het lied en verdeelden ons in twee groepjes rond die vier witte vlakken.

Bij couplet 1 werd eerst het schamele huis geschilderd. Daar kwam gaandeweg een wereld omheen, licht uit de hemel en een vuur dat met zachte kooltjes brandt.


 

Lied 548-2 




2. Lamp die in mij te wiegen hangt

Couplet 2 begint met ‘Lamp die in mij te wiegen hangt’. Het is de Naam die mij woorden zacht leert spreken. Het milde van dat heilige licht toont zich in wat het oproept. Er komen zachte woorden op. En wijsheid, die niet meer wil ontbreken ‘in mij die naar uw licht verlangt’. Vanuit het verlangen naar het licht wordt het lied als vanzelf een gebed. Het leidt tot een besluit bij de ontvanger: Ik wil nu gaan op rechte wegen. Geen tegenstander houdt mij tegen.

Waar komt die tegenstander ineens vandaan? Roept het besluit om vanaf nu de weg van de Thora te gaan tegenstand op? Tegen wie of wat in moet dit licht het opnemen? Dat wordt niet ingevuld. We zien alleen hoe zich een contrast aftekent. Het licht staat tegenover donkere krachten. Op het schilderij zien we een figuur die met open armen naar het licht is gewend. In haar borst brandt een teder vuur. Een stroom van zachte woorden gaat van haar uit.


 

Lied 548-3 




3. Al word ik onverhoeds gewond

In couplet 3 is de tegenstand een feit. De zanger is onverhoeds gewond geraakt. ‘Ze’ zijn gekomen ‘om mij te schenden’. Maar de ik-figuur geeft geen krimp, want hij weet tot wie hij zich kan wenden. ‘Ik leef met U in vast verbond, Gij die mij naar U hebt geschapen en in wiens kracht ik mij ontwapen.’

In dit derde couplet wordt duidelijk dat Maria de Groot zich door Jesaja 50, 4 – 11 heeft laten inspireren, een lied over de lijdende knecht des Heren. De lijdende dienaar weet waar zijn echte kracht ligt en legt zijn wapentuig terzijde. Omwille van de mensen laat hij zich verwonden. Nu begrijpen we waarom lied 548 is opgenomen in de rubriek van de veertig dagen.

Op het schilderij is het contrast stevig aangezet. Op de grens tussen licht en donker ligt een figuur weerloos uitgestrekt.


 

Lied 548-4 




4. Om hier te horen en te zien

Couplet 4 tenslotte spreekt over ‘een afglans van uw hoge lichten’, hier te horen en te zien. De hoge lichten werken als een aanstekelijk vuur dat vuur tot branden dient. Hier komen de mensen moe van strijden op adem ‘bij mij in mijn lijden’. De verbinding met Jezus op zijn weg naar Pasen is onmiskenbaar. In de kerk wordt Jezus geïdentificeerd met de lijdende knecht, die het volk bevrijdt niet door de wapens op te nemen, maar ze te sterken in het gaan van de weg door het lijden heen. Tot in Gods licht. In dit schilderij danst het vuur en steekt het mensen aan met het licht.

De groep bestond uit Corja Bekius, Agathe de Bruin, Johan Jekel, Anke de Jong en Martha Tolsma


Printerversie